Gastbloggers /

Gastblog: School moet kinderen webwijzer maken

Kinderen beschouwen zoeken via internet als een spelletje: ‘we hebben de antwoorden verstopt, en wie ze het eerste heeft gevonden heeft gewonnen’. Maar kennis en inzicht verwerven is iets anders dan een quest oplossen. Wanneer je iets zoekt en vindt met Google, ben je nog niets wijzer geworden als je niet weet hoe je de gevonden informatie moet interpreteren en beoordelen. Els Kuiper legt -- als gastblogger -- hieronder uit welke taak het basisonderwijs heeft in het webwijs maken van leerlingen.

Rijkdom aan informatie
Een citaat uit een twee jaar geleden verschenen rapport van Wim Veen en Frans Jacobs, getiteld ‘Leren van jongeren’ (de cursivering is van mij): “Moesten voorgaande generaties het doen met de mening van het door ouders gekozen dagblad of tv-station, nu kunnen kinderen kiezen uit een rijkdom van informatiebronnen die, als het om nieuws gaat, niet alleen worden aangestuurd door de vertrouwde nieuwsagentschappen als Reuters. Deze rijkdom aan informatie maakt hen tot kritische lezers en kijkers.“

Onzin wordt niet herkend
Eveneens twee jaar geleden ging aan de University of Connecticut in de Verenigde Staten een grootschalig onderzoek van start naar ‘new literacies’; de nieuwe vormen van geletterdheid die een rol spelen bij het gebruik van internet.

In één van de deelonderzoeken kregen leerlingen van 13 tot 14 jaar in het kader van een project over bedreigde diersoorten de opdracht de volgende website te bekijken: http://zapatopi.net/treeoctopus. Vervolgens werd hen gevraagd of ze deze website zouden gebruiken en hem zouden aanraden aan andere leerlingen die met hetzelfde project bezig waren.

Alle leerlingen vonden dat de website goede informatie gaf en goed bruikbaar was. Hun argumenten daarvoor waren onder meer dat de website er goed uit zag, dat er verwijzingen op stonden naar andere websites én dat er foto’s op stonden van de tree octopus. Bovendien verscheen de website bovenaan de eerste resultaten-pagina bij Google.

In werkelijkheid is deze website een ‘hoax’: een fakewebsite, met veel aandacht in elkaar gezet door een creatieve Amerikaan. Het valt dus nog niet mee, dat kritisch lezen en kijken.

In mijn promotieonderzoek is daarom het uitgangspunt geweest: Hoe kunnen leerlingen dan worden ondersteund bij het gebruiken van internet ten behoeve van het ontwikkelen van kennis?

“Op internet hoef ik niet te lezen!”
Internet wórdt immers op grote schaal gebruikt, ook al in het basisonderwijs. Kinderen van een jaar of 10 zijn er enorm handig mee en gebruiken het heel graag voor een werkstuk of spreekbeurt: het is nooit uitgeleend en je hoeft er niet in de regen naar toe te fietsen. En, om een jongen uit een van de klassen in mijn onderzoek aan te halen: “ik vind internet fijner dan boeken want op internet hoef ik niet te lezen.”

Dat kan een oorzaak zijn van de twijfel van veel leerkrachten over wat leerlingen nu eigenlijk leren van dat surfen, plaatjes zoeken, knippen en plakken. Maar tegelijkertijd hebben ze vaak ook het gevoel dat hun leerlingen handiger zijn met internet dan zij zelf. Wat zouden zíj hun leerlingen dan nog kunnen leren?

Ik ben mijn promotieonderzoek begonnen met een literatuuronderzoek en daaruit blijkt: heel wat! De leerlingen in Connecticut zijn geen uitzondering. De omvang en toegankelijkheid van internet en het gebruik van hypertext hebben tot gevolg dat veel kinderen moeite hebben met het lokaliseren van internetinformatie en het kritisch lezen en beoordelen daarvan.

Webwijsheid = zoeken, lezen en beoordelen
Ik wilde weten hoe je dit soort vaardigheden een plek kunt geven in het onderwijs. Daarom heb ik twee programma’s ontworpen waarin het verwerven van kritische internetvaardigheden centraal staat.

Ik heb daarvoor de term ‘Web literacy’ gebruikt; in het Nederlands zou je kunnen spreken van ‘webwijsheid’. Daarbij maak ik onderscheid tussen drie soorten vaardigheden: zoeken, lezen beoordelen van internetinformatie.

Onder zoeken valt bijvoorbeeld de vaardigheid om goede zoektermen te formuleren bij gebruik van Google. Lezen op internet houdt bijvoorbeeld in het goed gebruik kunnen maken van hyperlinks en een menustructuur op een website. Maar ook het goed lezen van de zoekresultaten van Google. Onder beoordelen van informatie valt zowel de bruikbaarheid of relevantie van de informatie als de betrouwbaarheid.

In beide programma’s was het verwerven van internetvaardigheden ingebed in een project rond ‘gezonde voeding’. Dat project verschafte de nodige context en samenhang. Bovendien kom je zoekend op Google van alles tegen, van de website van het Voedingscentrum tot Becel en Sonja Bakker.

De programma’s verschilden wat betreft de pedagogisch-didactische uitgangspunten. Eén programma was cursorisch van aard: de leerkracht werkte aan de hand van een handleiding waarin de inhoud van de lessen precies stond beschreven. De leerlingen werkten in tweetallen aan de computer met een werkboekje met instructie en oefeningen.

In het andere programma was het verwerven van kritische internetvaardigheden ingebed in onderzoeksactiviteiten van leerlingen. De leerlingen gebruikten internet voor het vinden van informatie voor hun eigen onderzoeksvragen. De klas werkte gezamenlijk toe naar een brochure over gezond eten voor medeleerlingen en ouders. De leerkracht had de taak om het leren zoeken, lezen en beoordelen van internetinformatie te verbinden met de onderzoeksactiviteiten van de leerlingen. Ze had daarvoor een projectmap tot haar beschikking met uitgewerkte voorbeelden van lesinhouden.

Het onderzoek
Beide programma’s zijn op vier verschillende scholen uitgevoerd. De onderzoeksresultaten laten onder meer zien dat verschillende factoren van invloed waren op het welslagen van de programma’s. Met name de aansluiting tussen de pedagogisch-didactische uitgangspunten van het programma en de manier van werken van de leerkracht was van belang.

Na afloop van de programma’s was in zeven van de acht deelnemende klassen de kennis van kritisch internetgebruik toegenomen. Op dat punt was weinig verschil te constateren tussen de twee programma’s. Wel liet een deel van de leerlingen van het onderzoeksgerichte programma op één punt een duidelijke voorsprong zien: zij gaven blijk van inzicht in het belang en de functie van kritische internetvaardigheden. Zoals een van de leerlingen het verwoordde: “In de folder ja daar moet alles wel een beetje kloppen. Maar op internet staat ook veel onzin. Dan moet je dus wel weten dat je die onzin niet overschrijft in de folder want anders heeft niemand er wat aan.”

Gebrek aan flexibiliteit, geduld en reflectie
Hoewel de kennis van kritisch internetgebruik is toegenomen, hebben de programma’s er niet toe geleid dat leerlingen die kennis ook consequent in de praktijk toepassen.

Uit de analyse van opdrachten die leerlingen hebben gemaakt na afloop van het programma, blijkt dat zij vooral heel inconsistent zijn in hun gebruik van goede zoek-, lees- en beoordelingsstrategieën. Dat leidt tot zeer wisselend succes.

Uit hun manier van werken zijn vier kenmerken te halen die belangrijk zijn voor een succesvolle aanpak: Ten eerste flexibiliteit: leerlingen die vast bleven houden aan één bepaalde zoekstrategie waren minder succesvol dan leerlingen die in staat waren van strategie te wisselen.

Ook geduld is belangrijk: internet is voor veel leerlingen leuk omdat het zo snel gaat; ‘alles’ kun je erop vinden zonder veel moeite te doen. Succesvol internetgebruik vraagt echter om een behoorlijke dosis geduld en uithoudingsvermogen.

Veel leerlingen waren niet gericht op het zelf construeren van antwoorden met behulp van informatie: ze waren op zoek naar een kant-en-klaar antwoord op hun vraag in de verwachting dat dat toch ‘ergens’ te vinden moet zijn.

Uiteindelijk komt goed en kritisch gebruik van internet aan op reflectie, of beter gezegd: het reflectief kunnen gebruiken van internetvaardigheden. Zoals de Amerikaanse auteur Don Tapscott het ooit formuleerde: “It’s not just point and click. It’s point, read, think, click”.

Web-wijsheid ontstaat niet vanzelf
Wat betekenen de resultaten van mijn onderzoek nu voor het onderwijs? Allereerst: het onderwijs heeft een duidelijke taak waar al vroeg mee moet worden begonnen. Kinderen hebben kennis en vaardigheden nodig om met onze informatiesamenleving om te kunnen gaan.

Hoe handig veel kinderen ook op internet zijn, kwaliteiten als kritisch lezen, geduld en reflectie leren ze niet vanzelf: ze hebben daar leerkrachten bij nodig. Die dan wél voor de uitdaging staan om aan te sluiten bij wat kinderen al doen en kunnen op internet.

Internet maakt passiever
Het ligt voor de hand om in het onderwijs in begrijpend lezen expliciet aandacht te geven aan kritisch internetgebruik. Dat betekent aanpassing van bestaande, papieren methodes: je leert internet immers niet gebruiken uit een boekje. Daarbij is het belangrijk om alert te zijn op een paradox die tijdens het onderzoek naar voren kwam.

Internet is heel geschikt voor actief, zelfstandig en betekenisvol leren. Echter: veel leerlingen lijken niet áctiever maar juist pássiever te worden bij het gebruik van internet, omdat het hen de illusie geeft dat kennis met een paar muisklikken te vinden is. Om een leerling te citeren: “Google kan het antwoord écht wel vinden.”

Informatie is nog geen kennis
Maar informatie is nog geen kennis. We moeten dus voorkomen dat zoeken en vinden via internet, ten koste gaan van ónderzoeken en zelf úitvinden. Dat betekent dat juist voor leren onderzoeken plaats moet zijn in het onderwijs, wil internetgebruik leiden tot verwerven van kennis en inzicht.

Els Kuiper (VU Amsterdam)

Lokatie thuis / Archief / Gastbloggers
Gepubliceerd: wo 7 feb 2007 · Laatst gewijzigd: wo 7 feb 2007

Mijn Kind Online en onze bezoekers stellen je mening op prijs. Deze wordt hier direct gepubliceerd.

 
Contact
E-mailadres
Mijn reactie